Het leerplan

Klas 1

De overgang van de kleuterklas naar de eerste klas is voor het kind een grote stap. Het heeft enige tijd nodig om te wennen. In het begin van het schooljaar zijn de kinderen nog in meer of mindere mate kleuter.

Tegen de kerst vindt de omslag plaats en worden alle kinderen echte eerste klassers. Ze verwerven zich een leerhouding en vaardigheden die niet meer ‘kleuterachtig’ zijn. Ze leren doelen na te streven. Hun motorische vaardigheden groeien waardoor het leren ook gemakkelijker wordt. Deze ontwikkeling van kleuter naar schoolkind wordt fysiek zichtbaar in de tandenwisseling.

Goede gewoontes

Prioriteit in de eerste klas is het vormen van goede klassengewoontes. Een groep kinderen, uit verschillende kleuterklassen afkomstig, moet immers vele jaren met elkaar een klas vormen. Net als in een gezin vormen gewoontes de basis voor deze ‘samenleving’. Alle regels en gebruiken leren de kinderen al doende, net als thuis. Met name de eerste helft van het schooljaar staat in het teken van het aanleren van goede gewoontes en het vormen van een sociale eenheid.

Basisvaardigheden

Een succesvol leerproces veronderstelt een aantal basisvaardigheden waar ook in de kleuterklas al aandacht aan is besteed. Dat proces is bij aankomst in de eerste klas nog niet afgerond. Bijvoorbeeld de motorische vaardigheden, vooral de fijne motoriek die nodig is bij het schrijven. Daarnaast is een innerlijke leerhouding nodig, waardoor het kind bijvoorbeeld gericht kan luisteren naar een didactische instructie en zichzelf doelen kan stellen in het leerproces.

Vertelstof

De vertelstof van het eerste jaar bestaat uit Europese volkssprookjes zoals die door de gebroeders Grimm bijeen zijn gebracht.

Nederlandse taal

Uitgangspunten:

  • Heldere, eenduidige, stapsgewijze instructie bij elk onderdeel ondersteunt met beelden. Op deze manier ervaren de kinderen plezier in het leerproces hetgeen meer rendement oplevert in de ontwikkeling.
  • De aanpak is groepsgewijs. Alle kinderen zijn op de hoogte van de basisinformatie.
  • Differentiatie vindt binnen elk kernonderdeel plaats naar moeilijkheid, meer of minder visuele of motorische ondersteuning (adaptief).
  • Spelling krijgt vanaf het begin evenveel aandacht als lezen. Het leren schrijven van woorden vraagt eigen instructie- en oefenmomenten.
  • Bestaande methodes worden omgezet naar een klanksynthese aanpak.
  • In de niet-klankzuivere periode worden de woorden geordend op overeenkomstige lees-schrijfwijze met daaraan gekoppeld een regel of denkwijze.
  • Ordening als denkkader zodat kinderen leren waarom woorden zo gelezen of geschreven moeten worden.
  • Multi sensorieel: het visuele, motorische en auditieve kanaal wordt zoveel mogelijk ingeschakeld.

Het verwerven van de belangrijke (culturele) vaardigheden van lezen en schrijven geschiedt in de volgorde: eerst schrijven, dan lezen.

De kinderen leren het schrijven vanuit het tekenen en vormtekenen. Ze schrijven met waskrijtjes en (dikke) potloden. Deze ontstaan die vanuit een verhaal (beeld) en een tekening daarover, later vanuit de klank.

Als de kinderen de letters kennen gaat het leesonderwijs verder op basis van klankzuivere woorden.

Aan het einde van de eerste klas kunnen de meeste kinderen éénlettergrepige klankzuivere woorden lezen en schrijven.

Eenvoudige leesboekjes lezen ze zowel klassikaal als individueel.

Rekenen

Voor ons rekenperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Wizwijz”.

De doelstelling is het leren van de vier basisbewerkingen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met getallen onder de twintig. Daarbij gebruiken de kinderen eerst materiaal (steentjes, rekenrekjes etc.)

In het begin rekenen de leerlingen met Romeinse cijfers vanwege het sterk concrete karakter van deze cijfers. Later leren ze de Arabische cijfers 1, 2, 3, etc. Het rekenen oefenen ze met materiaal en op papier. Het sluit aan bij de praktische belevingswereld van het kind (realistisch rekenen). Het rekenonderwijs gaat steeds uit van het geheel, dat uiteen valt in delen (20 = 7 + 13, 20 = 5 + 15, enz.). Later vormen de delen weer het geheel (7 + 3 = 10, 6 + 4 = 10, enz.)

Heemkunde

In deze periode zijn de kinderen gewekt voor de wereld om hen heen: het gras, de bloemen, de stenen, de dieren, de sterren, de zon en de maan. Alles kan nog met elkaar spreken. Al in een sprookje is er verteld over hun grootsheid en de natuurwezens die er in werkzaam zijn. Daarnaast is er aandacht voor het beleven van de seizoenen waarbij veel naar buiten wordt gegaan en veel van de natuur de klas in wordt genomen.

Toneel

In de toneelperiode wordt een verhaal uit de vertelstof tot beeld gebracht.

Vanaf de kleuterklas leren kinderen zich presenteren. Het spelen van een toneelstuk is een van de middelen. Daarnaast is toneel spelen een activiteit die in dienst kan staan van de verwerking van een jaarfeest, vertelstof of leerstof. Deze toneelstukken worden opgevoerd voor de ouders en medeleerlingen. De school beschikt daarvoor over een goed geoutilleerde zaal met podium.

Verkeer

De Bernard Lievegoed School neemt deel aan de regionale verkeersgroep ROVL.

Vreemde talen

De kinderen krijgen lessen in Engels en Duits of Frans. Het doel is de kinderen te laten kennismaken met de klankkwaliteit van die taal door middel van versjes, liedjes, spelletjes en spraakoefeningen.

Kunstzinnige activiteiten

Afwisseling van inspanning en ontspanning geeft gezondheid. Kunstzinnig bezig zijn maakt het hart sterk. Onder deze noemer horen: tekenen, schilderen, boetseren met bijenwas, muziek (waaronder zingen, blokfluiten en soms lier spelen), toneel, kring- en ritmische spelen. De kunstzinnige vakken, zoals in onderstaand omschreven, vormen geen losstaande lessen maar staan in verbinding met de zaakvakken en sociaal-emotionele ontwikkeling en het pedagogische klimaat in de klas.

Handwerken

Op de vrijeschool wordt meestal de term handwerken gebruikt in plaats van textiele werkvormen omdat deze term uitdrukking geeft aan de betekenis van de hand in de vormgeving van het menselijk bestaan. In de handwerklessen worden werkstukken gemaakt van wol, vilt en textiel. Dit materiaal is soepel en natuurlijk. Het is een goede aanvulling op de andere vakken en kan daarmee bijdragen aan de ontwikkeling van het kind.

Hoofdactiviteit in klas 1 is breien. De kinderen leren breien met dikke wol en houten pennen. Ze breien bijv. een kabouter of een bal. Verdere activiteiten zijn: eenvoudige knoopoefeningen en vingerhaken.

Vormtekenen / schilderen

Het vak vormtekenen staat in de eerste klas voornamelijk ten dienste van het schrijven. De kinderen werken met rechte en ronde lijnen, ritmische herhalingen van lijnen die figuren vormen, en ook vierkanten, cirkels en driehoeken. Bij het schilderen gaat het om een kleurenspel, niet om een concrete voorstelling.

Euritmie

In de eurithmieles wordt gewerkt met sprookjes en kleine verhaaltjes. De karakters van de sprookjes worden uitgebeeld door middel van gebaren. De muziek is geheel ondersteunend bij het verhaal. Er wordt hoofdzakelijk vanuit de kring gewerkt. Eurithmie werkt ondersteunend bij fysieke en motorische ontwikkeling. Daarnaast aan ruimtelijke oriëntatie.

Klas 2

Het dromerige van de 2de klasser, die vanuit een open stemming de leerstof opneemt, is in het vierde schooljaar nagenoeg verdwenen. De 2de klasser is nu ‘thuis’ binnen de school. In zijn gevoelswereld is hij wakker geworden en zoekt daarbinnen de uitersten. Hij beweegt zich vrijer en individuele karakteristieke eigenschappen komen naar voren.

De leerkracht zal vertrouwen scheppen door te bevestigen wat het kind al kan:  rekenen, schrijven en lezen. Daarnaast biedt hij in de vertelstof beelden en situaties waarin de 2de klasser iets van zichzelf en anderen kan herkennen.

Vertelstof

Fabels en legenden zijn de rijke bronnen van vertelstof voor de 2de klasser. Fabels gaan over dieren die een menselijke eigenschap uitdrukken: de sluwe vos, de wijze uil, de driftige stier, de koppige ezel, de trotse haan, de trouwe hond, het goedige schaap. Al die dieren proberen met behulp van hun eigenschap elkaar de loef af te steken. De kinderen herkennen iets daarvan bij zichzelf of bij anderen.

Mensen zijn echter niet overgeleverd aan hun driften, hun koppigheid of ijdelheid. Ze kunnen onbaatzuchtige motieven zoeken. De 2de klasser , die dat gaat ontdekken, kan daaraan krachtige en blijvende innerlijke steun ontlenen.

Daarom worden de fabels in de 2e klas aangevuld met verhalen (legenden) over mensen uit het verleden die, na een innerlijke strijd, grote liefde voor de schepping en voor de mens hebben getoond. Voorbeelden zijn: Sint Franciscus, Sint Maarten, Elisabeth van Thüringen.

Nederlandse taal

Voor onze taalperiode-onderwijs maken we gebruik van de methodiek “Staal”.

Aan de verbale vaardigheden wordt gewerkt door middel van het vrije spreken in de kring en  voor de klas. Daarnaast ontwikkelen de kinderen hun verbale vermogens en hun actieve woordenschat door recitaties van fabels en gedichten, door het spelen van toneelstukjes en poppenkast en door middel van spraakoefeningen.

Het navertellen van gehoorde verhalen hoort daar ook bij.

Het lezen wordt geoefend met zelfgeschreven teksten, en met een fabelboek dat door een leerkracht is vervaardigd. Er wordt ook geoefend in niveaugroepjes met behulp van een uitgebreide serie boeken.

In de tweede klas wordt de overgang geleerd van de losse schrijfletter naar ‘verbonden schrift’. Het vormtekenen ondersteunt dit proces. Er wordt geschreven met potlood.

Spelling: het schrijven is veelal nog fonetisch.

Rekenen

Voor ons rekenperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Wizwijz”.

De kinderen leren in de beweging om te gaan met getallen tot 100 en oefenen het hele jaar de vier hoofdbewerkingen. Ze leren de tafels van vermenigvuldiging en reciteren de reeksen klimmend en dalend. Kralenkettingen (10-tallig stelsel) en rekenrekjes worden als hulpmiddel gebruikt. De kinderen worden zich bewust van het 10-tallig stelsel en leren schattingen maken. Klokkijken komt aan bod.

Bewerkingen met getallen onder de 20 worden geautomatiseerd.

Voorbereiding op redactiesommen in de vorm van verhaalsommetjes. Ook aan ruimtelijke oriëntatie wordt aandacht besteed.

Heemkunde

De  periodes heemkunde stimuleren de kinderen een fantasievolle verbinding met de natuur aan te gaan. In verhalen klinken de  karakteristieke eigenschappen van plant en dier. Ook wandelen we door bos en veld. Tekeningen, liedjes en versjes over planten en dieren completeren deze periodes.

Toneel

In de toneelperiode wordt een verhaal uit de vertelstof tot beeld gebracht.

Vreemde talen

Het luisteren en spreken staat centraal. Op een speelse manier leren de kinderen voorwerpen, lichaamsdelen en zaken benoemen waarmee ze direct in aanraking komen; nog geen grammatica. Ze leren de vreemde taal zoals de moedertaal: door nadoen. Rijmpjes, liedjes, verhalen en toneelstukjes in de taal ondersteunen het ‘gevoel krijgen’ voor het eigene van klank en ritme. Inhoudelijk haken de lessen aan bij de leer- en vertelstof en de jaarfeesten.

Handwerken en handvaardigheid

Bij handwerken leren de kinderen haken, bijv. een ballennet. Om de fijne motoriek, de concentratie en het voorstellingsvermogen verder te ontwikkelen werken de kinderen bij handvaardigheid met allerlei materialen en kleuren. Ze boetseren met bijenwas, knutselen met karton, papier, en met natuurlijk materiaal bijv. eikels en kastanjes.

Schilderen, tekenen en vormtekenen

Bij het schilderen spelen kleurbeleving en dynamiek een rol. De kinderen kunnen bepaalde zielenstemmingen in vorm en kleur uitdrukken, zonder in de voorstelling te komen.

Met het tekenen werken ze aan de kleurbeleving en zielenstemming waarbinnen ze vrij kunnen werken en hun voorstelling op papier brengen. Vormtekenen doen kinderen vanuit de beweging. Ze lopen de vormen of maken ze met een handbeweging, voor ze in kleur op papier verschijnen: spiegelvormen, in- en uit-wikkelende vormen.

Eurithmie

Ook in de eurithmieles zijn de fabels en legenden van belang. Eenvoudige concentratieoefeningen worden gedaan. De kring blijft belangrijk, maar er komt nu ook een binnen- en buitenkring bij.

Muziek

Het ritmisch-melodisch gehoor wordt aangesproken. Bij het zingen is er zorg voor de stem, met name de articulatie. De leerlingen leren te improviseren en liedjes met allerlei instrumenten te begeleiden. Voortzetting van de lier- en fluitlessen.

Bewegingsonderwijs

De kringspelen geven vreugde en plezier, daarnaast bevorderen ze het sociale element in de groep. Touwtje springen, evenwichtsbalk, steltlopen, ballen en hinkelen zijn bewegingsspelletjes. Zowel kringspelen als bewegingsspelen versterken de grove motoriek en coördinatie.

Verkeer

De Bernard Lievegoed School neemt deel aan de regionale verkeersgroep ROVL.

Klas 3

Klas 1 tot en met 3 vormen qua ontwikkelingsfase een eenheid. Het kind is open en voelt zich één met de wereld. Leiding accepteert het als vanzelfsprekend. Fantasie en spel kunnen gemakkelijk het leerproces dragen.

Vertelstof

In klas 3 wordt een ontwikkelingsfase afgesloten. De verhalen van het Oude Testament vormen de bekroning van deze afsluiting. De verhalen over de ene God die een hecht verbond heeft met zijn volk geven het kind de mogelijkheid als individu en als groepslid sterk mee te leven. Deze vertelstof (hoogtepunt: de avontuurlijke tocht naar het beloofde land) biedt veel mogelijkheden voor recitatie, toneelspel en schrijven.

Nederlandse taal

Voor ons taalperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Staal”.

De vertelstof en de onderwerpen uit de heemkundeperiode nodigen uit tot creatief schrijven. De kinderen leren methodisch een verbonden schrift. Ze leren de spelling op basis van analogie, regels en voorbeeldwoorden. Samengestelde woorden; kastdeur, voor- en achtervoegsels; zoals ge – en – ig en open en gesloten lettergrepen met bijvoorbeeld oefenstof uit het reguliere onderwijs.

Ze oefenen interpunctie en maken een begin met de woordsoorten.

Lezen gebeurt door middel van stillezen, klassikaal begrijpend lezen en in niveaugroepen.

Rekenen

Voor ons rekenperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Wizwijz”.

De kinderen oefenen hoofdbewerkingen op papier en uit het hoofd. Hoofdrekenen tot 100, tot 1000 op papier. Geld rekenen met speelgeld. Ze leren de tafels en leggen de basis voor het cijferen. Sommen worden zo veel mogelijk met de werkelijkheid verbonden. Eenvoudige redactiesommen komen aan de orde alsmede het oefenen in ruimtelijkheid (oriëntatie).

Heemkunde

Dit vak krijgt gestalte in periodes waarin de boerderij, ambachten (bijv. manden vlechten, schoenen maken, pottenbakken) en de huizenbouw centraal staan. Doen, beleven, begrijpen is hier de leerweg.

Gedurende het voorjaar, klas 3 en najaar klas 4, gaat er een klas van de Bernard Lievegoed School naar een boerderij.

Zij worden begeleid door de boer en de boerin. Zij volgen een boerderij periodeplan. De kinderen  verzorgen daar de dieren en leggen een moestuin aan. Deze groenten verzorgen ze en worden ook door hen geoogst en deel wordt verkocht op school aan de ouders. Het doel van de boerderij school ligt op meerdere educatieve gebieden.  Taal: De kinderen maken verslagen van de bijeenkomsten; Rekenen: zij bereken de zaaibedden en wegen het voedsel voor de dieren. De kinderen maken kennis met de achtergronden van de boerderij activiteiten en deze leren ze plaatsen in de tijd. Ze mesten de stallen uit.

Toneel

In de toneelperiode wordt een verhaal uit de vertelstof tot beeld gebracht.

Vreemde talen

Bij de vreemde talen breidt het repertoire zich uit (Engels en Duits, elk 1 à 2 lessen per week): tellen, dagen, maanden, voorwerpen en lichaamsdelen. Liedjes, gedichtjes, dialoogjes en spelletjes. De hele les wordt de vreemde taal gesproken. Er is nog weinig schriftelijk werk.

Handwerken en handenarbeid

Ieder kind maakt een eigen muts. Verder naaien, borduren en weven de kinderen kleine werkstukjes. Bij handenarbeid werken ze met natuurlijk materiaal, papier (bijvoorbeeld origami) bijenwas en soms klei.

Vormtekenen en schilderen

De leerlingen zetten vormveranderingen en vraag- en antwoordspel met vormen vanuit de beweging, op papier. Ook worden vormen gespiegeld: boven – onder, links – rechts en diagonaal. Bij het schilderen zijn zielenstemmingen en eenvoudige gestalten de onderwerpen.

Muziek

In de 3e klas kunnen de kinderen overstappen van de pentatonische fluit naar de blokfluit. Liederen zijn nog eenstemmig. Ritme en melodie beleven ze door klappen, lopen en het gebruik van ritme instrumenten. We kunnen beginnen met het notenschrift.

Gymnastiek

De kinderen gaan voor het eerst naar de sporthal in de buurt. Tik-, kring- en balspelen zijn belangrijke lesonderdelen. Spelenderwijs oefenen ze aan de toestellen.

Eurithmie

Het thema van de derde klas is het Oude Testament. De gebaren worden gecompliceerder en de kinderen leren ze herkennen. Kleine muziekstukjes worden ritmisch en melodisch geoefend. Eenvoudige geometrische vormen worden gelopen.

Tuinbouw:

Gedurende het jaar heeft klas 3-4-5-6 van de Bernard Lievegoed School tuinbouw.

Het doel is dat de kinderen zich verbinden met de natuur en de wijze van groei en bloei van planten en bloemen.

Vanuit een ouder initiatief groep wordt in de buurt vanuit een gezamenlijkheid, met buurtbewoners, omliggende scholen de grond bewerkt. Het  Milieu en Educatie Centrum het CNME Maastricht begeleidt de leerlingen.

De activiteiten bestaan uit educatieve lessen, tuinieren en het werken aan bouwprojecten.

Verkeer:

De Bernard Lievegoed School neemt deel aan de regionale verkeersgroep ROVL.

Klas 4

In de 4e klas zijn de kinderen 9 à 10 jaar, “een moeilijke leeftijd”. Voelde het kind zich voorheen nog als vanzelfsprekend opgenomen in zijn omgeving, nu maakt het zich ervan los en bekijkt de wereld met nieuwe ogen. Wat het kind ziet stelt hem vaak teleur: de wereld is niet zo mooi en goed als hij dacht. Ook de leerkracht ontkomt niet aan een kritische blik: hij of zij weet wel veel, maar heeft zo’n gekke neus. Er klinkt veel protest en commentaar.

Het kind voelt zich teruggeworpen op zichzelf en kan soms onzeker en eenzaam zijn. Geen wonder dat het soms kattig reageert of zomaar huilt. Graag meten ze zich met elkaar in vechten, ruzie en schelden. De winnaar wordt bejubeld, de verliezer wordt uitgelachen. Even later zijn ze weer dikke vrienden.

Dit vermogen tot afstand nemen heeft een positieve kant: vanuit een nieuw ik – beleven, de leefwereld waarnemen, zich oriënteren en kennis verwerven.

Deze overgang vindt zijn vertaling in een andere ochtendspreuk. Tot klas 4 begint de spreuk: “Het liefde licht der zon, verheldert mij de dag…”.

Vanaf de 4e klas wordt begonnen met: “Ik zie rond in de wereld, waarin de zon haar licht zendt…”

Vertelstof

De oud Germaanse mythologie, beschreven in de Edda, vertelt van de gouden wereld van de goden, immer strijdend met de reuzen. Voor de goden nadert de ondergang. Deze verhalen van de mensheidsgeschiedenis zijn de verbeelding van wat de kinderen nu innerlijk beleven: de ondergang van de fantasie als alles verklarende kracht. Het kind wil meer realist worden.

Nederlandse taal en lezen

Voor ons taalperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Staal”.

De kinderen oefenen in het reciteren van gedichten, vaak in beginrijm geschreven.

Bij het schrijven van opstellen of verhalen is er veel aandacht voor vorm en inhoud. Ze beginnen met brieven schrijven. De spelling wordt systematisch geoefend aan de hand van reguliere oefenstof.

Lezen: de kinderen oefenen de vaardigheid zelf, technisch lezen maar ook het begrijpend lezen met behulp van een reguliere methode. Niveau technisch lezen: streefniveau 8. De grammatica behandelt de woordsoorten en de werkwoordsvormen in samenhang met tijd en onderwerp.

Rekenen

Voor ons rekenperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Wizwijz”.

Uitbreiding van hoofdrekenen en cijferen. Voor het eerst komen de breuken aan bod: de één als geheel wordt op tal van manieren gedeeld, zodat de kinderen de stambreuken leren kennen en de eerste plus- en minsommen met breuken maken. Ook het gelijknamig maken wordt geleerd.

Nieuw is ook het meten. Het eerste meten gaat uit van de menselijke maat (duim-el-voet), dan volgt de overgang naar het metrieke stelsel.

Heemkunde

De heemkunde in de 4e klas kent een aardrijkskundig en een geschiedkundig aspect, uitgaande van verbondenheid met de eigen woonomgeving. Het is een eerste oriëntatie in ruimte en tijd. De kinderen tekenen plattegronden en kaarten met de kenmerken van het landschap (huizen, wegen, bossen en velden).

Toneel

In de toneelperiode wordt een verhaal uit de vertelstof tot beeld gebracht.

Mens- en dierkunde

Vanuit het beeld van de veelzijdige mens komen de dieren aan bod in hun eenzijdigheid en specialiteit: klimmen, graven, rennen of vliegen. Steeds staat hun bijzondere gestalte in relatie tot de mens centraal. Deze periode geeft een aanzet tot het maken van eenvoudige spreekbeurten en werkstukjes.

Tuinbouw:

Gedurende het jaar heeft klas 3-4-5-6 van de Bernard Lievegoed School tuinbouw.

Het doel is dat de kinderen zich verbinden met de natuur en de wijze van groei en bloei van planten en bloemen.

Vanuit een ouder initiatief groep wordt in de buurt vanuit een gezamenlijkheid, met buurtbewoners, omliggende scholen de grond bewerkt. Het  Milieu en Educatie Centrum het CNME Maastricht begeleidt de leerlingen.

De activiteiten bestaan uit educatieve lessen, tuinieren en het werken aan bouwprojecten.

Vreemde talen

Reciteren van gedichten, zingen van liederen en toneelstukjes bevorderen het spreken in het Engels, Duits (soms Frans). De eerste woordjes (bijvoorbeeld voorwerpen in de klas) worden geleerd, de eerste werkwoorden vervoegd.

Voor het eerst schrijven de kinderen in de vreemde taal.

Handwerken

Uitgebreide toepassing van de kruissteek in verschillende werkstukjes. Soms leren de kinderen knopen.

Tekenen en vormtekenen

De leerlingen schetsen dieren. Bij het vormtekenen krijgen eenvoudige vlechtmotieven de aandacht.

Schilderen

Vanuit kleurstemmingen ontstaan vormen, landschappen en bijvoorbeeld dieren. De aardekleuren doen hun entree.

Muziek

Bij het fluiten maken de leerlingen de overstap naar het spelen van bladmuziek. Er wordt in canon gezongen.

Gymnastiek

Naast de tik-, ren- en balspelen doen de kinderen oefeningen aan de toestellen.

Verkeer:

De Bernard Lievegoed School neemt deel aan de regionale verkeersgroep ROVL.

Klas 5

De stemming van de 4e klasser was die van ‘verbroken eenheid’, een scheiding tussen ‘ik’ en de ‘wereld’. Die scheiding krijgt in de 5e klas een positieve keerzijde: de eigen individualiteit wordt nauwkeuriger beleefd. Eerst nog aarzelend en schoksgewijs, maar steeds duidelijker ontstaat het vermogen de wereld nauwkeuriger waar te nemen. De 5e klasser gaat genuanceerder denken en zich ook verdiepen in het gedrag van zijn klasgenoten. Kring- en klassengesprek zijn dus nodig en zinvol.

Ook de relatie tot volwassenen verandert, die blijken niet meer ‘alwetend’ te zijn. Boeken beantwoorden ook vragen. Kennis en ervaring kunnen ook vanuit een gesprek met de leerkracht ontwikkeld worden. Werkstuk, spreekbeurt en boekbespreking zijn goede werkvormen.

Meer evenwicht begint zich ook af te tekenen in het uiterlijk van de kinderen. Er komt meer tekening in het gezicht. Het kind kan zich gemakkelijk bewegen en er gezond en bloeiend uitzien.

Vertelstof

In de 5e klas vormt vooral de Griekse mythologie de vertelstof. Een groot aantal verhalen daarvan behoort tot ons cultuurgoed. Zij vertellen de lotgevallen van goden en godinnen, mensen, nimfen en saters. Zij vertellen over een deels imaginaire en deels fysieke werkelijkheid. De goden zijn ontmaskerd, de herinnering aan een geestelijke wereld maakt plaats voor het abstracte denken, gericht op de concrete wereld. Het paard van Troje en Odysseus’ thuisreis verwoorden deze ontwikkeling.

Nederlandse taal

Voor ons taalperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Staal”.

Spreekoefeningen zorgen voor een juiste uitspraak. Bij opstellen ligt de nadruk op verzorgd schrijven wat vorm en inhoud betreft en op verschillen in verhaaltrant.

De systematische oefening in begrijpend lezen vormt de opstap naar het latere studerend lezen. De lijdende en bedrijvende vorm komen aan de orde.

Er ontstaat gevoel voor het actieve en passieve karakter van een zin. Kinderen maken zelf zinnen en ontleden ze op persoonsvorm en onderwerp. Zij vormen mede instrumenten voor de werkwoordspelling in de tegenwoordige-  als mede verleden tijd. De voltooide tijden kunnen ook behandeld worden. Directe en indirecte rede: het gaat erom, dat het kind een verhouding krijgt tot datgene, wat werkelijk in de situatie gezegd wordt.

Rekenen

Voor ons rekenperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Wizwijz”.

Hoofdrekenen en cijferend rekenen worden geoefend. Rekenen met breuken wordt uitgebreid: gelijknamig maken, helen eruit halen, vermenigvuldigen. Decimale breuken en kommagetallen worden geïntroduceerd. De kinderen passen het geleerde toe in de vorm van redactiesommen. Verder berekenen ze oppervlakten, omtrek, afstanden en gewichten.

Toneel

In de toneelperiode wordt een verhaal uit de vertelstof tot beeld gebracht.

Aardrijkskunde

De Rijn wordt als voorbeeld behandeld van een rivier, die stroomt door verschillende landschappen. Daarbij horen ook de thema’s dijkenbouw en inpoldering. Ook de grondsoorten en topografie van Nederland worden behandeld.

De economische aspecten van menselijke productie komen aan bod. De kinderen ervaren dat over de hele wereld mensen voor elkaar werken.

Plantkunde

In de plantkunde komt de samenhang van het plantenrijk naar voren: de planten in hun karakteristiek en met het milieu waarin ze leven. Centraal staat het begrip voor de plantenwereld, vooral de verbondenheid van planten met hun omgeving, plant tussen zon en aarde, licht en donker, warmte en koude, vocht en droogte.

Geschiedenis

In de 5e klas komen verhalen en beschrijvingen van de voorchristelijke culturen van o.a. de Indiërs, Perzen, het Tweestromenland, de Egyptenaren en de Grieken aan bod, in samenhang met de vertelstof.

Vreemde talen

Net als bij het Nederlands maken de kinderen bij Engels en Duits een begin met de werkwoordspelling. Toneelstukjes en tweegesprekjes bevorderen de praktische toepassing van de taal. Recitatie en zang blijven een kunstzinnig onderdeel. Dit alles verwerken de kinderen in een schrift met tekeningen. Ze lezen ook eenvoudige boekjes. Voor Engels gebruiken we een reguliere methode.

Handwerken en handenarbeid

In de 5de  klas maken de kinderen wanten of sloffen naar hun eigen maat en naaien ze dieren en poppen van stof. Ze boetseren gebruiksvoorwerpen en voorstellingen uit de verschillende periodes (geschiedenis, aardrijkskunde). Daarnaast beginnen ze met houtbewerking: eenvoudige dierfiguurtjes met behulp van mes, rasp en vijl.

Vormtekenen

Vormtekenen is een oefen vak, het gaat vooral om het doen. In de 5de  klas komen (vlecht)motieven uit de oud Griekse (en Babylonische) cultuur aan bod.

Schilderen

Van een 5de klasser verwachten we een realistische weergaven: elementenstemmingen (vuur, water, aarde, lucht); natuurstemmingen (planten, bloemen); dieren en mensen; landkaarten met de voor het land typerende kleurstemmingen; licht en schaduw.

Muziek

Het zingen van meerstemmige liederen krijgt veel aandacht. Omdat in de 4de klas al in de tooneuritmie de toonladders geoefend zijn, kunnen de kinderen zich nu wat meer bewust worden van deze moeilijke materie. De kleine intervallen, grote en kleine secunde vinden hun toepassing in uitwerking van de kerktoonsoorten.

Verkeer

De Bernard Lievegoed School neemt deel aan de regionale verkeersgroep ROVL. In de 5de klas leggen de kinderen een praktisch en theoretisch verkeersexamen van de Verenigde Verkeers Veiligheids Organisatie (3VO) af aan de hand van een reguliere methode.

Tuinbouw:

Gedurende het jaar heeft klas 3-4-5-6 van de Bernard Lievegoed School tuinbouw.

Het doel is dat de kinderen zich verbinden met de natuur en de wijze van groei en bloei van planten en bloemen.

Vanuit een ouder initiatief groep wordt in de buurt vanuit een gezamenlijkheid, met buurtbewoners, omliggende scholen de grond bewerkt. Het  Milieu en Educatie Centrum het CNME Maastricht begeleidt de leerlingen.

De activiteiten bestaan uit educatieve lessen, tuinieren en het werken aan bouwprojecten.

Klas 6

In de 6de  klas begint de prepuberteit. Het skelet groeit, vooral de ledematen. Een verlies aan soepelheid van bewegingen is soms merkbaar. Kracht en gerichtheid groeien. Het intellect ontwaakt en tegelijkertijd ontwikkelt zich de belangstelling voor de actualiteit. Dit is het begin van een langdurig proces, de weg naar grotere zelfstandigheid en onafhankelijk denken.

6de Klassers oordelen vaak nog in eenvoudige zwart-wit beelden en kunnen zich krachtig tegen regels verzetten. Innerlijk ontwikkelen ze een kwetsbaar gevoelsleven, waarmee ze liever niet te koop lopen.

Vertelstof

Geschiedkundige verhalen uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen vormen de vertelstof voor de zesde klas. Zij sluiten aan op de belevingswereld van de 11 à 12-jarige. Het zelfbewuste individu immers stond in Rome op de voorgrond. Hier ontstond de afbakening van de rechten van de ene persoon ten opzichte van de rechten van de ander. Het ‘elk het zijne’ was en is nog steeds een belangrijk beginsel. Dan volgen de Middeleeuwen: opkomst van vorstendommen en vrije steden met burgers en ambachtslieden. Kenmerkend is ook de sterk religieuze en gevoelsmatige verinnerlijking. Net als in een kathedraal is de binnenwereld in deze tijd verrassend kleurrijk, ook een beeld voor de ontwikkeling van de 6de klasser.

Nederlandse taal

Voor ons taalperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Staal”.

De Nederlandse taalperiodes zijn vaak geïntegreerd in andere periodes en vakken. De kinderen krijgen veel stelopdrachten en leren lesstof zelfstandig weer te geven.

Zo maken ze bij de natuurkunde van alle proeven een verslag. Verder komen aan de orde: taal- en redekundig ontleden, moeilijke woorden, spreekwoorden  uitdrukkingen en gezegdes, verschillende stijl- en dichtvormen. Herhalen en oefenen van tegenwoordige- en verleden tijd. Begrijpend lezen wordt verder ontwikkeld met behulp van een reguliere methode.

Rekenen en handelsrekenen

Voor ons rekenperiode-onderwijs maken we tevens gebruik van de methodiek “Wizwijz”.

Bij het rekenen oefenen de leerlingen alle basisbewerkingen toegepast op de werkelijkheid. Daarna volgt een begin met handelsrekenen, (kapitaalsommen, rente, bruto, tarra en netto).

Toneel

In de toneelperiode wordt een verhaal uit de vertelstof tot beeld gebracht.

Tuinbouw:

Gedurende het jaar heeft klas 3-4-5-6 van de Bernard Lievegoed School tuinbouw.

Het doel is dat de kinderen zich verbinden met de natuur en de wijze van groei en bloei van planten en bloemen.

Vanuit een ouder initiatief groep wordt in de buurt vanuit een gezamenlijkheid met buurtbewoners, omliggende scholen de grond bewerkt. Het  Milieu en Educatie Centrum het CNME Maastricht begeleidt de leerlingen.

De activiteiten bestaan uit educatieve lessen, tuinieren en het werken aan bouwprojecten.

Meetkunde

Met behulp van passer en liniaal maken de kinderen allerlei constructies van cirkels, driehoeken en veelhoeken. Deze vormen kleuren ze individueel in om er op deze manier variaties en wetmatigheden in te ontdekken

Geschiedenis

De hierboven besproken vertelstof komt in klas 6de  vooral aan bod in de geschiedenisperiodes. Dat zijn/is de Romeinse cultuur en de karakteristieken van de Middeleeuwen en de daarbij aansluitende periode van de kruistochten (een ontmoeting met de islam), met hun vele invloeden tot in onze tijd.

Aardrijkskunde

De gesteentes en mineralen vormen hier het onderwerp. Om te beginnen het kalk en graniet en hun karakteristieken. Verder is er een periode over de atmosferische verschijnselen (weer en klimaat) en oefenen, tekenen en kleuren de kinderen de topografie van Europa. De overige werelddelen worden verkend.

Natuurkunde

De natuurkunde begint bij dagelijks waarneembare verschijnselen. Belangrijk zijn het zelf waarnemen en beschrijven van proeven met geluid, licht, warmte, elektriciteit en magnetisme.

Vreemde talen

De zesde klassers lezen, spreken, en spelen toneel. De grammatica krijgt een vervolg.

Handwerken en handenarbeid

Bij handwerken maken de leerlingen een eenvoudig kledingstuk. Tijdens de handenarbeid maken ze allerlei eenvoudige houten gebruiksvoorwerpen door het gutsen van holle en bolle vormen, zoals een pollepel en een kommetje.

Gymnastiek

Het spel bestaat nu uit verschillende sporten zoals korfbal, slagbal, volleybal, basketbal en voetbal. Het werken aan de toestellen gaat door. Elk jaar doet een groep mee aan een voetbaltoernooi.

Tekenen en schilderen

Tijdens de periodes is de behandelde stof het onderwerp van tekeningen. Er is aandacht voor zwart-wit tekenen (licht en schaduw).

Het natekenen, en daarbij letten op details en vormgeving en eventueel op perspectief, krijgt ook meer nadruk. Bij het schilderen is de opzet om meer in de voorstelling te komen. De kleuren zorgen voor meer diepte.

Muziek

Het repertoire groeit. Het oefenen met toonladders, intervallen, maatsoorten en moeilijker ritmen gaat door. Regelmatig zingen de leerlingen meerstemmige liederen.